In de vorige blog vertelde ik hoe natuurkundigen veel meer onderzoek naar materie hebben gedaan dan naar de ruimte waarin die zich bevindt, waardoor belangrijke verschijnselen onbegrepen bleven. Iets dergelijks is destijds ook bij componisten gebeurd. Hun aandacht ging vooral naar de noten van de majeur toonladder (do-re-mi-fa-sol-la-ti-do). Daarbij beschouwden ze de onderlinge afstand (het interval) als niet zo interessant, omdat die vanzelfsprekend was.
Rangorde in de muziek
De muziek die ermee geschreven wordt, heet ‘tonale’ muziek. De keuze van de ‘do’ op de piano bepaalt de ligging van de hele toonladder en wordt ‘grondtoon’ genoemd. De grondtoon kan dus A zijn, of B-mol, of B, enzovoorts tot aan G-kruis. Zoals een bal die je opgooit weer op de grond valt, zo eindigt een tonale melodie op de grondtoon. De mineur toonladder is er de enige variatie op.
De ‘sol’ bepaalt de dynamiek, welke emoties worden opgewekt en of de muziek bijna is afgelopen. Die wordt de ‘dominant’ genoemd. Ook de ‘fa’ speelt een bijzondere rol, omdat die even ver van de bovenste ‘do’ af ligt, als de ‘sol’ van de onderste ‘do’. Die wordt ‘subdominant’ genoemd. De andere noten zijn minder belangrijk en het minst zijn de vijf noten tussen de treden van de ladder in, die als versiering kunnen worden gebruikt.
Knellend
Hoewel er prachtige tonale muziek is gecomponeerd, begon het systeem ruim een eeuw geleden te knellen. Je kon er muzikaal gezien lang niet alles mee zeggen wat je zou willen. Vanaf het begin van de 20-ste eeuw werden allerlei manieren bedacht om die rangorde overboord te gooien.
In de dodecafonie, bijvoorbeeld, werden alle twaalf noten in een volgorde gezet en dan telkens achter mekaar gebruikt. In seriële muziek werd dat nog strakker. Zo ontstonden nog benauwdere systemen. Als reactie daarop werd wel met een dobbelsteen bepaald wat de volgende noot moest zijn. Maar het publiek kon in die nieuwe muziek geen gemoedsbeweging meer onderscheiden.
Bevrijding van de intervallen
Als compositie-student viel me op dat nog geen enkele methode zich op de intervallen had gericht. Ik raakte ervan overtuigd dat een vrije vorm van interval-combinaties nodig was, maar hoe?
In het Schönberg-museum te Wenen, waar ik stage liep, haalde iemand voorzichtig, met witte handschoentjes, twee kartonnen schijfjes uit het archief, die in het midden met een splitpen bevestigd waren. Langs de rand van de kleinste schijf waren drie clipjes bevestigd, langs de rand van de grootste schijf stonden de twaalf notennamen. Op slag werd me duidelijk dat dit de eerste stap van Schönberg was om niet de positie van de noot, maar van het interval bepalend te maken.
Weer thuis ging ik met karton aan de slag. Door niet drie, maar zes clipjes te gebruiken, kon ik datgene wat ik wilde verklanken verrassend snel en gemakkelijk kiezen. Ik noemde het ‘relatieve tonaliteit’ en componeerde er sindsdien altijd mee. Er bestaan vijftig verschillende noten-schijfjes van zes clipjes, die elk een basis-sfeer vertegenwoordigen; de variatie is dus enorm. Het is mogelijk gebleken om er ook een groot werk, een opera, mee te componeren. Voor elk personage heb ik toen een eigen schijfje gekozen, waardoor diens karakter in alle scènes behouden bleef.
Graag een berichtje voor de volgende blogs? Stuur een e-mailtje.
